Tijdens een mooie, waardige en ja, soms ook tot vrolijkheid stemmende bijeenkomst is vrijdagmiddag het Molukse marinemonument onthuld op Begraafplaats De Rading in Nieuw-Loosdrecht.


![]()
Op Ambon kon ik het in het verleden al een paar keer vaststellen en vrijdag werd het opnieuw bewezen: misschien niet alle, maar in elk geval veel Molukkers kunnen goed zingen. Muziek en zang vormden een mooie omlijsting van de plechtige onthulling. Die werd bijgewoond door, ruw geschat, liefst zo’n 250 mensen.


De opening en afsluiting nam dominee Y. Hursepuny voor zijn rekening, waarbij hij zich afwisselend van twee talen bediende. ,,Kami berkumpul di sini’’ (We zijn hier bijeengekomen), begon hij, om meteen de aandacht te vestigen op de eerste generatie Molukkers die naar Nederland (ook Loosdrecht) kwam als uitvloeisel van de afwikkeling van het Nederlandse kolonialisme in de Oost. Hursepuny benadrukte: ,,Ze zijn niet dood, ze leven voort in u.’’
Hun namen en hun foto’s
Wat later tijdens de plechtigheid werd dat ook concreet gemaakt. Nakomelingen noemden de namen van de inmiddels overleden en op de begraafplaats te ruste gelegde eerste generatie en hielden portretfoto’s omhoog. Ziehier enkele voorbeelden.
![]()
![]()
![]()
![]()
Waarna voor allen een krans werd gelegd.
![]()
De onthulling
Nadat Harry Lekranty van de werkgroep ‘Eerbetoon Moluks Marine Monument Loosdrecht’ had toegelicht hoe het van het eerste idee tot de realisatie van het monument is gekomen, was het belangrijkste moment daar: de onthulling. Die werd verricht door mensen die in 1951 piepjong met hun ouders per boot vanuit Zuidoost-Azië in Nederland aankwamen: Leen Pattikawa, Johan Tomasowa, Lieneke Lekranty, Nicole Leunura en Irene Uneputty.



Het tekstbord naast het monument, met daarop uitleg over de historische achtergrond van de Molukse gemeenschap in Loosdrecht en elders in Nederland, werd apart onthuld door Duelle Samin, behorend tot de inmiddels vierde generatie.

Als toepasselijke naam voor het monument is gekozen voor ‘Masa lalu bersama’ ofwel: gedeeld verleden.
Zou dat goed gaan?
Daarna was het tijd voor twee ‘officiële’ toespraken. Zou dat wel goed gaan? Zoals op Rading Nul eerder besproken heeft de gemeente Wijdemeren zich al eens vergaloppeerd in een bericht op de website. Een brief die burgemeester en wethouders op 11 maart aan de gemeenteraad stuurden, maakte het er niet beter op. In de historische literatuur wordt al jarenlang zonder omhaal geschreven over de (koloniale) oorlog die Nederland eind jaren veertig voerde, het Wijdemeerse college grijpt in de brief terug op het bewust verdoezelende taalgebruik uit de jaren veertig en heeft het over politionele acties. Waarna het ook nog onthutsend weinig kennis van zaken demonstreert door te reppen over ‘de uiteindelijke onafhankelijkheidsverklaring van Indonesië eind 1949’. De Indonesische onafhankelijkheidsverklaring (proklamasi) vond plaats op 17 augustus 1945 in Jakarta, wat op 27 december 1949 in Amsterdam plaatsvond in het Paleis op de Dam was de soevereiniteitsoverdracht.

Maar gelukkig, wat wethouder Wilna Wind vrijdag als loco-burgemeester te berde bracht (burgemeester Mark Verheijen was verhinderd) was van aanzienlijk hoger niveau dan de eerdere schriftelijke uitingen. Ze sprak over ‘een geschiedenis die niet vergeten mag worden’. Applaus klonk nadat ze had verklaard: ,,Wij zien u, wij erkennen officieel het onrecht en uw leed.’’ Heel goed.
Ter afronding overhandigde Wind aan de initiatiefnemers voor het monument een brief van burgemeester Verheijen. Ook op de inhoud en toonzetting daarvan valt gelukkig niets aan te merken.
Thuisfront ook familie

Daarna was het woord aan de Koninklijke Marine, destijds de werkgever van de eerste Loosdrechtse Molukkers. Die had niet de minste afgevaardigd: commandeur Carolien Verberne, directeur personeel en organisatie van het Commando Zeestrijdkrachten. Ze vestigde de aandacht op de langdurige verbondenheid tussen de Molukse gemeenschap en de Koninklijke Marine. Ook benadrukte ze dat daarbij niet alleen de zeevarende militairen zelf van belang zijn, maar dat ‘toen en nu, ook het thuisfront tot de marinefamilie behoort’.
‘Heel veel warmte’

Kunstenaar Joost Zwagerman gaf vervolgens enige toelichting op het monument. Daarbij omschreef hij zichzelf bescheiden als ‘mede-maker’ en meldde hij dat de samenwerking tussen de initiatiefgroep en hem ‘met heel veel warmte’ is verlopen.
En wat zien we dan allemaal als we naar het monument kijken? Een voor een liep Zwagerman de elementen langs. De basis is een koffer – die ene koffer waarmee de Molukse militairen en hun gezinnen in 1951 naar Nederland werden gebracht. Op de koffer zijn tralies gemonteerd, die verwijzen naar de krijgsgevangenschap in de Japanse tijd (1942-1945). Geheel bovenaan is ‘het heilige kruis’ te zien, aldus Zwagerman, het geloof van de Molukse gemeenschap verbeeldend. Daaronder een kroon plus anker, verwijzend naar de marine. En tot slot – vervaardigd uit glanzend metaal waarin de toeschouwer zichzelf kan zien weerspiegelen – een parang (kapmes) en een salawaku (langwerpig schild, normaal gesproken van hout). Parang en salawaku verwijzen naar de Molukse cultuur, waarin bij (krijgs)dansen deze twee voorwerpen worden gebruikt (en lang geleden natuurlijk om echt te vechten).
Verhalen
Het laatste programma-onderdeel vormden verhalen waarmee de tweede, derde en vierde generatie Loosdrechtse Molukkers hun licht lieten schijnen over het verleden en ook een beetje over het heden en de toekomst. Zo viel te vernemen dat de Molukse families die in 1953 in Loosdrecht kwamen wonen elkaar al kenden uit de Palembangstraat in Surabaya, vroeger in Indië en ook nu nog in Indonesië de stad met de belangrijkste marinehaven.
Ook werd onder de aandacht gebracht dat Molukse kinderen in Loosdrecht gebroederlijk optrokken met de Nederlandse jeugd. ,,Dank dat jullie geen verschil in kleur zagen, maar leeftijdgenoten’’, aldus een van de sprekers. Tegelijk: ,,Je speelde wel met Nederlandse kinderen, maar achter de voordeur was een andere wereld.’’ Tot algemene vrolijkheid merkte hij daarover op: ,,Marinemannen hadden geen reet in te brengen bij hun vrouwen.’’
Mena muria!
Terugdenkend aan een heel andere periode viel me overigens iets op. Pakweg een halve eeuw geleden waren er aanzienlijke spanningen rond de Molukse gemeenschap in Nederland. Heel vaak ging het toen ook over de RMS, de in 1950 uitgeroepen en door het Indonesische leger de kop ingedrukte Republik Maluku Selatan (Republiek der Zuid-Molukken). Vrijdag viel de term RMS maar één keer. Dat was toen een van de sprekers vertelde over het kamp in Heteren (Betuwe), waar hij als jochie enige tijd met het gezin had doorgebracht. Hij zei niet meer te weten of de RMS-vlag daar werd gehesen.
Zijn bijdrage sloot hij af met een luidkeels ‘mena!’, waarop de Molukse aanwezigen prompt invielen met ‘muria’! ‘Mena muria’ is een kreet die stamt uit het zeer verre Molukse verleden, toen nog met houten prauwen werd geroeid. Letterlijk betekent het ‘voor en achter’, maar een wat vrijere en nog steeds toepasselijke vertaling is: één voor allen, allen voor één. Geen slecht motto bij de onthulling van het fraaie Molukse monument in Loosdrecht.
