Joost Prinsen en Pim Fortuyn

Het overlijden van Joost Prinsen heeft veel publiciteit losgemaakt. Volkomen terecht. Ook De Gooi- en Eemlander stond er uitgebreid bij stil, zoals vandaag met een hommage van andere columnisten aan hun overleden nestor. Bij mij riep het herinneringen op. Niet aan één maar aan twee columnisten: Joost Prinsen en Pim Fortuyn.

Dat Prinsen jarenlang columns schreef voor De Gooi- en Eemlander kwam doordat die krant onderdeel is van een uitgeverij met meer regionale kranten: ook Haarlems Dagblad, IJmuider Courant, Leidsch Dagblad en Noordholland Dagblad.

Kleine gemeente, lange naam

Joost kwam bij dit krantenclubje binnen via Haarlems Dagblad. Logisch, want hij woonde in Halfweg, in het verspreidingsgebied van Haarlems Dagblad. Halfweg behoorde destijds tot de (nu met Haarlemmermeer gefuseerde)  kleine gemeente met de lange naam:  Haarlemmerliede en Spaarnwoude c.a.. Dat c.a. stond voor ‘cum annexis’, Latijn voor: met aanpalende gebieden. Joost en zijn vrouw Emma deden er via de lokale PvdA aan plaatselijke politiek.

Alweer een aantal jaren schreef hij columns toen ik op een keer op de centrale redactie van genoemd krantenclubje zijn jongste inzending onder ogen kreeg. Geen idee meer waarover die ging, maar ik weet nog wel dat me twee kleinigheidjes opvielen die feitelijk niet klopten. Nu ga je als eindredacteur met de tekst van een columnist niet aan de haal, dus belde ik hem op. Joost hoorde mijn kritiekpuntjes aan, waarna hij met die kenmerkende, wat krakende stem verklaarde: ,,Meneer Frisááárt, daarin hebt u héélemaal gelijk. Goed dat je even belde.’’

Beetje verbluft

Ik zei dat ik blij was dat we het zo vlot eens waren geworden en vroeg: ,,Hoe zullen we dit nu verder doen?’’ Hij weer: ,,Nou, volgens mij ben je mans genoeg om die foutjes recht te breien. Pas de tekst maar aan, dan zie ik in de krant wel wat je ervan hebt gemaakt.’’ Nooit meer iets van gehoord, dus hij zal het eindresultaat wel in orde hebben gevonden.

Toch was ik een beetje verbluft. Columnisten immers zijn niet zelden  eigenzinnige types die hun zelf-gewrochte tekst als zo ongeveer heilig beschouwen. Waag het niet daar met je tengels aan te zitten! Zo niet Joost. Die gaf het na overleg in goed vertrouwen uit handen en deed er verder het zwijgen toe. Top!

Pim Fortuyn

Hoe anders was mijn contact jaren eerder met Pim Fortuyn. Ik werkte bij Haarlems Dagblad. Onze toenmalige hoofdredacteur, Frans Nypels, was van de PvdA en uit die kring kende hij Fortuyn. Hij had hem gestrikt als columnist voor zijn krant. Maar Fortuyn sloeg rechtsaf en niet zo’n beetje ook. Ter redactie kregen we er een steeds beroerder gevoel over, maar Nypels bleef gek genoeg achter zijn columnist staan. Uiteindelijk scheidden de wegen, maar dat heeft lang geduurd.  Later dacht ik: het was vermoedelijk persoonlijke loyaliteit die Frans ingaf ‘professor Pim’ nog een tijd de hand boven het hoofd te houden.

Maar goed, nog vóór dat scheiden der wegen belandde op een dag een nieuwe aflevering van Fortuyns column op mijn bureau. Ik was in die tijd bij Haarlems Dagblad chef binnenland/buitenland/economie. Fortuyns vaste plek was op een van de pagina’s waarvoor ik verantwoordelijk was. Hoofdredacteur Nypels was die dag elders en de adjunct-hoofdredacteur had me even daarvoor gemeld dat hij naar een afspraak buiten de deur was.

Ranzig

Allemaal geen probleem, maar toen ging ik Fortuyns column lezen. Oef! Ik stuitte op een alinea die naar mijn smaak alle perken te buiten ging. Nee, niet zijn gebruikelijke rabiaat-rechtse gedoe, maar een alinea waarin hij uitermate ranzig beschreef hoe hij een jongeling van Marokkaanse komaf seksueel had gepenetreerd. Kennelijk met wederzijdse instemming, daar ging het dus niet om. Maar de wel heel expliciete, wellustige beschrijving paste geenszins binnen de richtlijnen van een keurige krant als Haarlems Dagblad.

Dus belde ik Fortuyn, vertelde dat ik die passage problematisch vond en waarom. Ik vroeg hem hoe we het zouden kunnen oplossen. Nou, dan was ik aan het verkeerde adres. Met zijn column was niets mis. Wat hij had geschreven was niet alleen waar (wat ik trouwens niet bestreed), maar ook  uitstekend verwoord, stelde hij. Argumenteren mijnerzijds hielp niet. Fortuyn vond mij een storende non-valeur in het grote Pim-universum, dat was wel duidelijk.

Hij: ,,Ik wil de hoofdredacteur spreken!’’

Ik: ,,Dat gaat helaas niet, die is vandaag elders.’

Hij: ,,Geeft u me dan de adjunct-hoofdredacteur!’’

Ik: ,,Ook dat is lastig, want die is een paar uur buitenshuis.’’

Hij: ,,Dan wil ik de plaatsvervanger van de adjunct-hoofdredacteur!’’

Ik: ,,Daar spreekt u mee.’’

Fortuyn viel stil. Bijzonder, want dat gebeurde anders nooit. Ik nam het initiatief om het gesprek maar te beëindigen en daarbij legde hij zich neer. Die week geen Pim-column in de krant dus. Het was de eerste en de laatste keer dat ik ooit een bijdrage van een columnist in de prullenbak gooide. De adjunct en de hoofdredacteur steunden mijn beslissing.

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Meer informatie over hoe uw reactie gegevens worden verwerkt.