Uit zijn tot nu toe twee (korte) optredens tijdens commissievergaderingen en uit wat Weekblad Wijdemeren van deze week uit zijn mond optekende, kunnen we in elk geval opmaken dat burgemeester Mark Verheijen zin heeft in zijn waarnemerschap in Wijdemeren. Wel maakte hij in het huis-aan-huisblad een opmerking die me even aan het denken zette. Beter gezegd: aan het herinneren.

Herman Stuijver rondde zijn stuk over Verheijens aantreden in Wijdemeren af met dit citaat: ,,Ik zal hier heel vaak zijn, hoop veel mensen te ontmoeten. Alleen met carnaval ben ik weer terug in Venlo.”

De burgemeester afwezig met carnaval? Jammer voor de Schuimlikkers en de Turftrappers, schoot me te binnen. Anderzijds: juist tijdens de carnavalsdagen zijn de ogen niet gericht op burgemeesters, maar op de prinsen carnaval. En aan te nemen valt dat Verheijen niet bedoelde dat hij vanaf de elfde van de elfde tot en met de carnavalsdagen in februari in Venlo verkeert. Hij zal wel alleen die laatste carnavalsdagen hebben bedoeld, op woensdag daar eventueel nog even een askruisje halen en hup, terug naar Wijdemeren. Hij vindt vast wel een ander moment om poolshoogte te nemen bij de carnavalisten in Ankeveen en Kortenhoef.
Blijft trekken
Bovendien: neem het hem eens kwalijk. Hij is geboren Limburger (Grubbenvorst, onder de rook van Venlo) en was in Venlo politiek actief als raadslid en wethouder. Dan blijft het ‘stedje aan de Maas’ ongetwijfeld trekken.

Lang geleden (Mark Verheijen was nog niet geboren) was ik in Venlo eens heel kort te gast bij Frans Boermans (1917-1999). Het duurde meen ik maar een half uurtje, daarna spoedde het gezelschap zich naar ‘de Wilhelmina’ (het statige hotel-restaurant Wilhelmina), waar carnavalsvereniging Jocus een feestavond had belegd.
De vooruitgang
Die Frans Boermans was in Venlo en ruime omgeving een beroemdheid als tekstschrijver van carnavalsliedjes (‘vastelaovesleedjes’ in het plaatselijke dialect). Mij is in elk geval het liedje bijgebleven waarin hij uitlegt hoe de mens vooruit komt en hoe hij, de tekstdichter, dat heeft ontdekt. Bij navraag bleek me dat ook Verheijen dat een geslaagd lied vindt. ‘Twië bein (De veuroetgank)’ heet het en dit is de tekst:
Ik heb allang gezwege, ik heb ’t noeëts gezag.
Ik woel d’r neet um lège. maar ik had ’t waal verwach.
Nao jaore lang studere kwaam ik d’r nog neet oeët.
Ik bleef maar prakkezere. wie kóm ik toch veuroeët?
Mien linker bein en mien rechter bein.
die laupe nów al jaore naevenein.
Det ein geit op en det ander neer.
En as ze dao mit vaerdig zien, beginne ze alweer.
Mien linker bein en mien rechter bein,
die laupe nów al jaore naevenein.
Det ein löp héj en det ander dao.
En ze laupe zich al jaore achternao.
Ik ging ’t ónderzeuke, ik keek nao alle bein.
Oet waas now net ’t leuke, die deje’n ’t, ein veur ein.
Ik snap nów auk de raeje, waorum die bein zoee gaon.
Die mótte blieve traeje. want anders bliefste staon.
Mien linker bein en mien rechter bein.
die laupe nów al jaore naevenein.
Det ein geit op en det ander neer.
En as ze dao mit vaerdig zien, beginne ze alweer.
Mien linker bein en mien rechter bein,
die laupe nów al jaore naevenein.
Det ein löp héj en det ander dao.
En ze laupe zich al jaore achternao.
Autorace
Onmiddellijk na die herinnering drong een andere zich op. Ooit vernam ik uit Venlose bron dat er in wat toen al het verleden was – het zal wel in de jaren zestig zijn geweest of misschien nóg eerder – nu en dan een race werd gehouden met twee auto’s: één Venlose en één uit Tegelen, de naburige aartsrivaal (maar tegenwoordig gefuseerd met Venlo).
Gewoonlijk won de Venlose auto. Maar plots werd die hegemonie een keer doorbroken: de coureur uit Tegelen zegevierde. Dat plaatste de verslaggever van een lokaal Venloos blad voor een probleem. Hoe moest hij dat verwoorden? De lezers kregen dit voorgeschoteld: ‘Venlo tweede, Tegelen één na laatste’. Een opmerkelijk creatieve beschrijving van de werkelijkheid, maar geen woord aan gelogen!
